Peerke Donders: Zijn laatste levensjaren (slot)

In Batavia was Peerke Donders volop actief onder de melaatsen. Ook bezocht hij afgelegen nederzettingen. Hij kon dit alles volhouden door zijn intense gebedsleven. Twee medewerkers, pater Verbeek en pater Van Vlokhoven hebben de dagorde van Peerke Donders bewaard. Het liegt er niet om, de tijd die ingeruimd was voor gebed:

5.00 uur opstaan
5.30 uur meditatie
6.00 uur engel des Heren
6.30 en 7.00 uur HH. Missen
9.00 uur catechese en ziekenbezoek
12.00 uur engel des Heren, gewetensonderzoek en middageten. Daarna ontspanning.
14.00 uur breviergebed bij het tabernakel en het bidden van de kruisweg
15.00 uur geestelijke lezing/meditatie en werken in de tuin.
18.00 uur engel des Heren en avondgebed
19.00 uur rozenhoedje met de zieken en catechese. Daarna avondeten, ontspanning en naar bed.

Dit is bij elkaar al viereneenhalf uur bidden per dag! ’s Nachts ging pater Donders nog dikwijls stilletjes bidden in de kerk. Men zei van Vader Donders: ‘Wat bidt hij veel en wat jaagt hij de zielen na!’. Natuurlijk was het dagritme een ideaalstreven. Er zullen dagen zijn geweest dat Peerke minder tijd had om te bidden, maar er waren ongetwijfeld ook dagen dat hij méér bad! Wie een geestelijk leven wil leiden (en daarvoor hoef je niet in een klooster) doet er goed aan om voor zichzelf een dagritme te maken. Er is zoveel dat onze aandacht vraagt, dat O.L. Heer vaak achteraan komt. Door een dagritme te maken, komt Hij voorop te staan. Wat horizontaler geformuleerd: we leven dan ons eigen leven i.p.v. dat we geleefd wórden. Maar nu terug naar onze zalige.

Aan tafel nam pater Donders altijd weinig eten. Men moest hem soms dwingen om een stukje vlees te eten. Buiten de maaltijden nam hij niets, zelfs geen water. Voordat hij ging slapen geselde hij zichzelf, als boetedoening. Daarna ging hij slapen, op een strozak op de grond. Hij wilde liever op de harde grond slapen, maar daarvoor moest hij toestemming vragen van zijn overste. Het liefste viel Peerke Donders niet op bij de verstervingen die hij deed. Hij rookte gewoon pijp als iedereen. Later, bij het onderzoek voor de zaligverklaring was dit nog een probleem. Toch bleek dat pater Donders niet verslaafd was aan roken. Hij kon goed zonder. Een versterving die hij goed onder de knie had was het verdragen van insectenbeten. In de binnenlanden kwamen die soms met hele zwermen op de binnendringers af. Vooral de ‘mompieren’ waren berucht. Ze deden de huid eerst rood opzwellen en lieten daarna witte vlekken achter. Petrus Donders verdroeg het allemaal zonder klagen.

Kardinaal van Rossum van de ritencongregatie in Rome schreef: ‘Ik heb in de brieven van pater Donders zeer veel gevonden wat zijn groot vertrouwen op God en diens genade toont, wat zijn diepte nederigheid, zijn christelijke eenvoud en zijn brandende ijver voor de zielen aan de dag brengt.’ Veel brieven heeft Peerke Donders geschreven. Veel mensen zijn erdoor bemoedigd. Ook als de missieactiviteiten zonder resultaat waren, bleef pater Donders optimistisch: ‘Wanneer de goede God ons helpt, kunnen alle hinderpalen overwonnen worden’.

Een interessant detail is dat de kleren van Peerke Donders er altijd netjes uitzagen. Hij moest vaak door water en modder zwoegen, maar hij hechtte er toch waarde aan dat hij verzorgd en waardig uitzag. Door de zon was zijn zwarte toog bijna groen geworden, maar er zaten geen scheuren of vlekken in!

Sinds 1884 klinkt de gedachte aan de dood door in de brieven van pater Donders: Hij schreef: ‘Ik ben een oude man. Heel ver kan de dood dus niet meer af zijn. Daarom hoop ik, dat u voor mij zult bidden, opdat mijn einde zalig zij.’ In december 1886 bezocht pater Donders op Batavia de zieken die hun hut niet meer konden verlaten. Hij hoorde hun biecht en bracht de H. Communie. Af en toe voelde hij zich ziek, maar zijn antwoord op de vraag hoe het met hem ging, luidde steevast: ‘Goed, veel beter.’ Op 31 december 1886 moest pater Donders preken. Bij de recreatie was hij opgeruimd. ’s Nachts openbaarde zich een nierontsteking die hem veel pijn bezorgde. Uiteindelijk zou hij hier aan overlijden. De bisschop werd erbij gehaald. In de nacht van 5 op 6 januari ontving de zieke de Laatste Sacramenten. Nadien zij hij: ‘Ik heb niets te beschikken, niets te verordenen, niets te zeggen; men kan mij begraven waar men wil; alleen twee dingen wilde ik u verzoeken: vooreerst vraag aan de gelovigen voor mij vergiffenis, indien ik hen soms in het een of ander beledigd mocht hebben, en ten tweede betuig hun mijn droefheid over het zondig leven van velen in weerwil van mijn herhaalde vermaningen. Mogen zij toch eens begrijpen, hoe groot kwaad de zonde is.’ Woorden van een heilige. Recht uit het hart, en recht tot het hart. Daarna zei pater Donders niet veel meer. Hij zweeg en begon zijn laatste strijd. De dokter op Batavia was niet kundig, zodat de zieke Peerke verstoken bleef van de goede medicijnen. Bijzonder is dat hij zijn eigen dood voorspelde: ‘Vrijdagmiddag om drie uur zal ik sterven.’ En zo geschiedde. 14 januari 1887. In volkomen overgave gaf Petrus Donders de geest. In het melaatsendorp, in de stad, op de plantages en bij de Indianen heersten droefheid en rouw. Een klaagzang werd aangeheven. De mensen verdrongen zich bij de begrafenis rond de kist en zongen: ‘O mi boen Tatta, mi boen Tatta dedde’- O mijn goede Vader, mijn goede Vader is dood. Aan de voet van het missiekruis waar pater Donders zo vaak gebeden had, werd de kiste in de aarde gelaten. Zij die niet bij de rouwdienst konden zijn, hielden naar gebruik een tweedaagse rouw. Dit betekende dat men pater Donders als een van de hunnen beschouwden, ja als een van hun stamhoofden.

Later is de sociale toestand in Suriname stap voor stap verbeterd, met de steun van de overheid. Enkele protestanten waren er tegen dat er overeenkomsten werden gesloten met de katholieke missionarissen. Daarop reageerde een van de leden van de Koloniale Staten, C. J. Heylidy (niet-katholiek): ‘Zoals wij gezien hebben was er vóór 1834 op Batavia een rooms-katholieke kerk gevestigd; reeds zestig jaar dus heeft de R.K. Gemeente zich het lot dier ongelukkigen aangetrokken. Hebben andere Gemeenten iets in die richting gedaan? Zo ja, dan is het zeker in zeer geringe mate en uiterst gebrekkig geschied en kan het niet in vergelijking komen met wat door rooms-katholieken is gedaan.’

Deze eer geldt pater Donders en zijn broeders in de missie. En wat is er overgebleven van Batavia? Niets. Zoals pater Donders volgens sommigen voorspeld heeft, zou Batavia afbranden. Van 4 op 5 oktober werden alle lege melaatsenhutten met olie overgoten en in brand gestoken. Op 7 oktober brandden ook de pastorie en de kerk af. De wind had de vonken weer doen aanwakkeren. Toch blijft Batavia nog mensen aantrekken, als zwarte plek van vroeger lijden, maar ook als de lichtende plek waar Peerke Donders zijn leven gaf. Petrus Donders’ lichaam is overgebracht naar de kathedraal van Paramaribo, waar hij rust in de nabijheid van Maria van Altijddurende Bijstand. Op de plek van zijn eerste graf hebben de Fraters van Tilburg een kruis laten oprichten. De nabije omgeving wordt netjes bijgehouden en beschermd tegen de oprukkende plantengroei. In stilte kunnen pelgrims hier hem eren die deze plek tot een monument van naastenliefde maakt: Petrus Donders.

(bron: Peerke Donders, Schering en inslag van zijn leven, door J. L. F. Dankelman CssR, Hilversum 1982)